Dieren kunnen door hun aard heel andere belevingen hebben dan mensen. Dat geeft vaak verrassende inzichten en echt, met dieren kun je lachen!

Liever geen beren op je weg…

Het is verbazingwekkend, al zeg ik het zelf. Jaren geleden maakte ik contact met een kodiakbeer in een dierentuin (zie blog hieronder). Nu ik het weer lees, komt de vraag bij me op of beren eigenlijk wel vlees eten. Even wikipedia openen en het wordt bevestigd, net als meer uit dit contact:

“De kodiakbeer is me een mooie … Zegt meteen als ik contact maak dat hij mij wel lust. Hij schijnt zin in vlees te hebben, zin in een prooi ‘scheuren’. Hij heeft ook zin in vis.
Ik krijg van hem door dat hij veel ruikt en dat hij er wel op uit wil om te eten.
‘Kan je alleen maar aan eten denken?’ vraag ik hem.
‘Eten is belangrijk,’ vindt hij.
Ik laat hem in een beeld zien dat hij het volgens mij lang niet slecht heeft volgens dierentuinbegrippen.
‘Het is te beperkt. Ik wil erop af, afstanden afleggen.’ Het voedsel zoeken is een grote innerlijke drive. Momenteel is hij veel te lui, vindt hij zelf. Hij leeft onder zijn capaciteiten.
Hij laat mij een soort gelatenheid voelen van iemand die berust in zijn situatie. ‘Ik klaag niet,’ wil hij nog even kwijt, ‘maar ik leef onder mijn niveau van kunnen.’ ”

Na dat gesprek was ik naar een vrije beer in Alaska gegaan. Die kon ook alleen maar aan eten denken op dat moment. De contacten was in november dus de eetdrang klopte wel:

“Ik heb net de kodiakbeer uit de dierentuin gesproken en ga daarna naar deze beer.
Die vindt al vrij snel dat ik loop te zeuren en vraagt wat ik wil. Hij lijkt een run tegen de tijd te voeren en denkt, net als de kodiakbeer, alleen maar aan eten.
Hij vindt dat hij nog te weinig voedsel binnen heeft en wil een dikkere laag om de winter door te komen.
‘Lukt dat?’ vraag ik belangstellend.
‘Niet als jij loopt te drammen.’
Het is duidelijk, ik moet deze beer niet storen op dit moment.”

Heerlijk, die beren!

Het stokstaartje

Als ik contact maak met dit stokstaartje zie ik hem meteen om zich heen kijken. Alsof hij zoekt waar ik ben. Ik vertel hem dat ik via deze vorm van communicatie contact leg en dat ik er niet fysiek ben. Dan gebeurt er iets wat ik nog nooit meegemaakt heb met dieren: dit diertje benadert mij razendsnel, legt zijn voorpootjes op mijn hoofd en het lijkt of hij in mijn hoofd gluurt. Ik word wel eens gescand door dieren maar zo extreem als dit is nog niet gebeurd en ik moet erom lachen.
Ik leg hem uit dat ik graag met dieren praat en hij laat meteen hun hele ruimte zien. Hij laat weten veel te spelen en hij rent druk heen en weer. Een actief diertje. Hij laat zien dat hij een verre blik heeft en een ver gehoor. Overdag staan de mensen ervoor. Hij wil eigenlijk altijd ver kijken, groot uitzicht hebben. Hij herhaalt een paar keer dat hij tussen de mensen door moet kijken, dat hij overdag steeds op mensen stuit. ‘Als ze weg zijn hebben we de tijd aan onszelf,’ vertelt hij.
Weer laat hij zien dat hij heel gespitst is op geluiden en bewegingen ver weg. Hij vindt het fijn om een eigen ruimte te hebben in de dierentuin. Ik weet niks van stokstaartjes maar ik kan me voorstellen dat ze een eigen territorium hebben (dit zie ik later op internet bevestigd).
Het dier geeft steeds een vrolijke, levenslustige indruk. Hij doet me denken aan een wakkere fret, die reageert ook zo snel. Alleen lijkt het of stokstaartjes slimmer en veel wakkerder zijn.
Als slot van ons contact laat dit stokstaartje nogmaals zien dat zijn blik gericht is op ver weg.

`Intenties laten zich niet verwoorden´

Als ik contact maak met deze olifant, lijkt ze meteen een speeltje van me te maken. Ze reageert uitbundig, wat onbenullig en geeft me het beeld dat ze met me speelt als met een lappenpop. Mijn insteek is altijd serieus contact dus ik vraag haar of ze uitgespeeld is. Meteen zet ze me in haar beeld neer en loopt van me weg. Ho, dat was ook niet de bedoeling! Dus loop ik naast haar mee maar dat bevalt me niet. Beleefd vraag ik of ze de tijd wil nemen voor een gesprek.
Meteen laat ze weten niet naar mensen te hoeven luisteren. Dat vind ik natuurlijk okee en ik vertel haar dat dit contact op een ander level is, niet fysiek. Dan wil ze wel communiceren.
Ze laat als eerste zien dat olifanten lange afstanden lopen. Dat zit in hun wezen. Hier kan ze voldoende lopen en bewegen maar het zijn geen lange afstanden in colonne.
Tijdens mijn dierentuinbezoek heb ik wat info opgevangen van een verzorger en ik vertel de olifant dat ik hoorde dat er onderzoeken gedaan zijn naar hun onderlinge communicatie. De verzorger vertelde dat in hun kop trillingen te voelen zijn. Deze olifant geeft door dat het om golven gaat.
Ze komt bij mij heel open en actief over en haar aandacht gaat ook snel ergens anders heen. Ze laat zien dat ze doet waar ze zelf zin in heeft. Ze lijkt in een eigen flow te zitten en vermaakt zich op een dag met bomen, publiek, andere olifanten, stokken, zand, water, lopen etc.
Ik moet het contact met haar echt goed gericht blijven houden dus vraag ik naar hun manier van onderling communiceren. Dan krijg ik het idee dat ze op ‘twee standen’ tegelijkertijd leven. Het trage van hun bewegen en de flow waar ze fysiek in zitten maar tegelijkertijd een razendsnel, fijngevoelig denken.
Met die fijngevoeligheid lijken ze te weten wat er buiten de muren van het nachtverblijf gebeurt. Weten ze wanneer de verzorgers er zijn/komen en hebben ze een ragfijn onderling contact.
Ik geef via een beeld door dat de verzorgers zich niet meer tussen de olifanten mengen omdat er ongelukken zijn gebeurd en dan zie ik dat de verzorgers helemaal niet van belang zijn! De olifant laat zien dat alles draait om wat er op hun ‘olifantenlevel’ gebeurt. Mensen nemen daarin een enorm kleine plaats in. Mocht er onderling wat zijn tussen de olifanten dan houden ze totaal geen rekening met de fysieke aanwezigheid van een mens. Vertrapping of iets dergelijks van mensen is dan niet meer dan een tak vertrappen die toevallig in de weg ligt. ‘Het speelt zich allemaal af op ons communicatieniveau.’
Ik ben werkelijk onder de indruk van de grootte van hun onderling (be)leven. De olifant laat zien dat de rol van de mens/verzorger zó klein is. Ik meen te moeten opmerken dat er toch heel wat mensen om hen heen zijn die zich een slag in de rondte werken om hun verblijf goed te maken. ‘Mensen leggen voedsel neer maar zijn van zo weinig betekenis voor ons.’ Ik geef haar via beeld en gevoel door dat het me schokkend lijkt om te horen als verzorger, als je met zoveel liefde voor die dieren werkt.
‘Maar je laat mij wel een kijkje nemen bij je,’ merk ik dan een beetje verbaasd op. ‘Ik neem ook een kijkje bij jou,’ is meteen het antwoord. Ik weet inmiddels dat op dit niveau van communiceren er inderdaad een wederzijdse uitwisseling is. En onbewust denk ik aan wat mijn intenties zijn om dit soort contacten aan te gaan. ‘Intenties laten zich niet verwoorden,’ hoor ik er pats boem overheen. Een lekker bijdehand dier…

Tirza 2: Tirza klaagt verder

Tirza wil praten en gaat meteen los.

T: Ja, ik wil graag mijn zegje doen, dat bruine monster waar jullie zo gek mee zijn, is best erg opdringerig. Je zegt wel dat ze me niets doet, maar daar lijkt het niet op. Ze springt steeds op me af en ze heeft hele grote poten.
M: Die grote poten begrijp ik, maar er zit geen kwaad in, ze zal je nooit bijten, maar ze is nog wel wild, dat komt omdat ze je spannend vindt. Je kunt haar met jouw arsenaal aan opties: grommen, blazen, omdraaien, aankijken, dikke staart, gemakkelijk de baas, dat vindt ze spannend.
T: Maar ik niet. Ik wil gewoon door het huis kunnen lopen, zonder dat monster achter me aan.
M: Dat proberen we ook voor je en heel goed dat je steeds naar binnen komt en je niet laat weerhouden.
T: Dat klopt, maar ook in de tuin laat ze me niet met rust, zodat ik muizen verder in het bos moet zoeken. En die spelen niet gezellig.
M: Je bedoelt die kun je niet zo gemakkelijk vangen?
T: Eigenlijk bedoel ik dat niet, ze verstoppen zich en laten zich daarna niet meer zien, dus helemaal niet spelen samen, ze spelen niet.
M: Dat moet saai zijn.
T: Dat is het ook, ik moet nu gaan jagen en dat kan ik ook goed, maar dat kost meer tijd en lukt niet altijd.
M: Dus je eet minder muizen en wilt van ons meer vlees krijgen?
T: Als dat zou kunnen …
M: Wil je nog wat kwijt?
T: Ik wil dat jullie zorgen voor een veilige thuisplek voor mij.
M: Maar dat doen we!
T: Maar het monster kan te dichtbij komen.
M: Ze zit iedere nacht opgesloten, dan kun je helemaal vrij door het huis lopen en je kunt ook op bed liggen bij ons.
T: Ja, maar jij stuurt me dan weg …
M: Ja, als je probeert de hele nacht op me te liggen dan stuur ik je weg, maar je mag best tegen me aan liggen, alleen niet op me. En bij mijn partner kun je altijd terecht.
T: Dat is waar, nou tot de volgende keer, ik vind de gesprekken wel leuk worden.

Over goed, slecht en schuldgevoel

Deze foto is gemaakt op het moment dat alle andere chimpansees door de hitte voor pampus lagen. Deze chimp zat echter met een stokje blaadjes achter het hek vandaan te trekken.
Als ik contact met haar zoek, begint ze enthousiast heen en weer te rennen in mijn beeld. Ze heeft kennelijk wel zin in een gesprekje.
Ik herinner me ineens dat ik van iemand hoorde dat ze met een cursusgroep naar deze dierentuin waren geweest om contact te zoeken met dieren. ‘Hebben mensen wel vaker op deze manier contact gezocht?’ vraag ik. Dat beaamt de chimpansee en ze voegt eraan toe: ‘Ik speel met ze. Ze nemen zichzelf zo serieus.’ Daar moet ik om lachen en de chimp vraagt me waarom ik contact zoek. ‘Nou,’ antwoord ik, ‘ik hoop dat mensen kunnen leren van dieren.’ Meteen realiseer ik me dat weinig mensen luisteren naar deze vorm van communicatie. Deze week schreef een vriendin dat de wereld tot nu toe nog niet op de kop heeft gestaan van een diergesprek. Het zou toch tijd worden dat dat wel gebeurt, dacht ik toen.
‘Bij mensen ligt er zo’n chaos, zo’n hoop ballast om ze heen,’ vertelt de chimpansee. ‘Dieren hebben die franje niet.’ Ze vindt dieren puur. Ze reageren meteen.
Ik wil heel graag meer van haar weten maar ben door het gesprek met een python, dat ik net afgesloten heb, erg omlaag getrokken qua energie. Ik kom met de chimpansee overeen dat ik eerst koffie ga drinken en dan terugkom voor een gesprek over goed en slecht en schuldgevoelens.

Deze chimpansee voelt zich belangrijk dat ik met haar praat en gaat er lekker voor zitten. Ik weet overigens niet eens of het een mannetje of vrouwtje is maar het zal me niet verbazen als het een vrouwtje is.
We gaan het hebben over goed en slecht en de chimpansee vertelt: ‘Wij hebben ons aan regels/omgangscodes te houden. Anders worden we meteen afgestraft. Spelen (uitdagen) mag, kwaad doen niet.’ Ze laat weten dat het bij kwaad doen/overtredingen hard tegen hard is. Er kan dan genadeloos gemept worden en de sterkste wint. Bij wangedrag wordt je uit de groep ‘geslagen’. ‘Natuurlijk mag je terugkomen,’ vervolgt ze. ‘Als je je weer gedraagt en je voegt naar de groepsregels.’
Ze laat het beeld zien dat de groep een vierkant is dat stevig staat. Bij wangedrag lig je er buiten. Ik laat zien dat mensen door eigen gedrag ook buiten de groep kunnen komen te staan. Wij zijn dan in staat om kritisch naar onszelf te kijken. De chimpansee laat meteen weten dat mensen dan gaan draaien: er komt zelfmedelijden bij, ze gaan excuses bedenken om zichzelf goed te praten, een hoop ge-ja-maar en meer vaag gedoe. ‘Apen willen maar één ding: terug in die groep. Die groep is rechtvaardig, biedt veiligheid en geborgenheid.’
Waar apen over de grens zijn gegaan, zich te groot hebben gemaakt, moeten ze weer inkrimpen om in de groep te passen. Ze laat weten dat de ene aap vaker even uit de groep ligt dan de ander. Dat ligt aan het karakter van het dier en de ondernemendheid/avontuurlijkheid. En of het dier graag grensverleggend bezig is of niet. ‘Sommigen zijn erg gedwee, braaf, passen zich aan. Wie zich te groot wil maken, krijgt klappen.’
Hoe zit het met schuldgevoel, wil ik weten. ‘Geen schuldgevoel,’ hoor ik stellig. ‘Fout bestaat niet. Je kan altijd terug in de groep, mits je je aanpast.’

Baby E

In mijn blog van 5 januari 2022 (Hyronimus 13) zegt Hyronimus dat het mogelijk is om met alles wat bewustzijn heeft te communiceren. Dat kwam mij goed van pas toen mijn jongste dochter zich zorgen maakte om haar vier maanden oude baby. Ze at niet genoeg en zat onder de gewichtscurve van het consultatiebureau en dat was reden tot zorg.

M: Dag meisje, mag ik met je praten?
E: Oh ja wat leuk. Ik slaap, maar ben op dit niveau heel wakker en ik krijg heel veel mee van wat er om me heen gebeurt, maar kan dat natuurlijk niet uitten omdat ik nog niet kan praten. Ik kan niet wachten tot ik kan praten. Kun jij dan zolang de gesprekken voor mij doen?
M: Zo, je bent me een prater, je gaat meteen los.
E: Ja, dat moet wel want wanneer krijg ik nu de gelegenheid om eindelijk mijn dingen te zeggen?
M: Wat wil je dan zeggen?
E: Dat mijn lieve mama zich niet ongerust moet maken. Ze is heel lief voor me en denkt dat ze het niet altijd goed doet, maar ze is geweldig. En dat ik niet aan ben gekomen is toch geen ramp. Ik ben in goede gezondheid en er mankeert mij niets en ik heb ook geen gebrek aan iets. Dus helemaal geen reden voor bezorgdheid. Tegendeel, ik mag steeds heerlijk op haar borst hangen om te slapen en dat is goddelijk! Veel fijner dan in een bedje zonder de warmte van mijn mamma te voelen.
M: Maar waarom groeide je dan niet?
E: Dat gebeurt soms. Niet iedereen wordt groot volgens de curves die gemiddelden moeten zijn. Hoe ontstaat dat gemiddelde? Natuurlijk door kinderen als ik, er zijn er ook bij die onder het gemiddelde zitten. Geen reden tot zorgen, dat komt wel weer goed. En misschien deed ik het met drinken ook niet goed genoeg en moet ik harder drinken om beter groot te worden. Dat komt dan wel goed met een beetje hulp van mijn mamma. Dus vooral geen zorgen.
M: Is dat alles wat je nu wilt zeggen?
E: Nee, ik wil ook wat tegen mijn pappa zeggen. Die kan nog niet zoveel met mij en dat is niet erg. In deze fase van mijn leven ben ik erg afhankelijk van mijn mamma. Maar mijn pappa wordt straks heel belangrijk, want door hem leer ik mannen kennen en dat is heel belangrijk voor de latere fases van mijn leven. Ik wil hem dus heel graag heel dichtbij hebben. Hoewel hij veel weg is, ben ik ook lekker om te knuffelen. Ik hou ook van hem, heel erg natuurlijk en zoals gezegd is hij belangrijk voor mij.

Ik wil ook wat tegen mijn pappa zeggen. Die kan nog niet zoveel met mij en dat is niet erg. In deze fase van mijn leven ben ik erg afhankelijk van mijn mamma. Maar mijn pappa wordt straks heel belangrijk.

M: Ik vind het zo grappig dat ik steeds een kleine aanzet geef en jij meteen alles er achter elkaar uitflapt.
E: Grappig dat je dat zegt. Ja, ik ben wel een prater, maar dat kan er nu nog niet uitkomen, maar zodra ik heb leren praten, berg je dan maar, want ik ga echt los. Heb veel om op te merken en alles wat ik opmerk wil ik alles van weten. Dus niet alleen veel praten, maar ook veel vragen, de oren van je kop. Maar helaas dat moet wachten.
M: Nou dank je voor dit bijzondere gesprek. Voor mij was dit een experiment om te zien of ik ook met kinderen kan praten, in plaats van alleen dieren.
E: Ja, jij praat met dieren. Dat lijkt me prachtig. Ik kan nu wel bij ze binnenkijken maar kan niet zo met ze praten als met jou. Dat lukt nog niet. Maar dat wil ik zeker ook leren. Denk erom dat je niet dood gaat voor je dit aan mij hebt geleerd!
M: Zo jij pakt het voortvarend aan. Dank je wel voor het gesprek. Kunnen we later nog eens praten?
E: Ben je nu al klaar, ik wil nog wel even doorpraten.
M: Dat gaat bij mij niet, ik krijg straks mensen op bezoek en dan moet ik dit gesprek wel afgerond hebben.
E: Kunnen we dan de volgende keer langer met elkaar praten want ik wil praten en heb veel te zeggen en nog veel meer te vragen en wanneer moet dat dan?
M: Lieverd, dat komt dan later, ik ga nu stoppen.
E: Nou vooruit dan maar. Niet te lang wachten tot een volgend gesprek.

201020

Cavia(‘s)

Ik heb wat met cavia’s. Het gaat nergens over, zeg ik vaak oneerbiedig over ze, maar ik geniet enorm van die diertjes. Als kind had ik ze al en ook onze kinderen heb ik cavia’s niet onthouden. Toen iedereen de deur uit was vond ik het wat kinderachtig (net of cavia’s alleen kinderdieren zijn) om weer een cavia in huis te halen maar ik vond een goed excuus: cavia’s zijn goed gezelschap voor papegaaien. En zo kwamen er drie al wat oudere cavia’s uit de opvang aan boord.

Vreemd genoeg zaten de cavia’s in de opvang in kleine hokjes. Heel apart vond ik dat. Zelf maakte ik een ruimte van 1.20 bij 1.20 vlak naast de kachel, zo laag dat ze ook door de hele kamer konden lopen. Onze kat Bach heeft haar laatste dag doorgebracht tussen de cavia’s.

Ook het leven van cavia’s is eindig. Lady was al een tijd dood, Bloempje (die op een gegeven moment door vrienden gebracht was) was ook al een tijd geleden overleden en Marie en Randy bleven over. Toen ik in december onverwacht naar het ziekenhuis moest hebben de volwassen kinderen de zorg voor de dieren op zich genomen. Ze zeiden: “Wat er ook gebeurt, we moeten de dieren in leven zien te houden!” En prompt overleed Marie in de eerste nacht dat ik in het ziekenhuis lag. Randy bleef alleen over.

Ik vind Randy een bijzondere cavia. Hij was het enige mannetje tussen de dames en ik beschrijf hem vaak als ‘aangenaam’. Dat is een rare term voor iemand maar ik heb er geen ander woord voor. Ik ben erg op hem gesteld. Toen hij na mijn terugkomst geëvacueerd werd omdat ik mogelijk last zou hebben van het zaagsel, vond ik dat niet zo leuk. Zodra het kon mocht hij van mij terugkomen.

Er was een echt caviahok voor hem gekocht met tralies van boven zodat Randy veilig was bij de kleinzoon van twee. Maar wat moest ik met zo’n hok? Ik vond het veel te klein en opgesloten. Dus binnen een week stond de grote bench in de kamer en binnen tien minuten zaten zowel de cavia als de hond en de kat in de bench. Everybody happy.

Tijd voor een gesprekje met Randy. Dat doe ik niet zo vaak met eigen dieren maar soms is het wel leuk en ook Randy waardeert het, laat hij al snel weten. Maar ja, waar praat je met een cavia over? Dus ik vraag maar es aan hem of ik ‘in’ hem mag om te ervaren hoe hij leeft. Meteen laat hij voelen dat voedsel dat hij tot zich genomen heeft lekker z’n werk zit te doen. Hij eet snel, knaagt/schuift het naar binnen en gaat dan liggen verteren. Hij vindt het heerlijk om gevuld te zijn. Het klopt met wat ik altijd zie: dat uitgebreid en gelukkig liggen te liggen. Randy maakt van de gelegenheid gebruik om ‘dat witte’ te laten zien. “O, je bedoelt witlof. Ja, het klopt, dat zat er vanochtend niet bij.” ’s Avonds zorg ik dat er een stukje witlof tussen de andere groenten zit.

Ik vraag hem hoe hij het heeft ervaren dat Marie er niet meer was. “We hebben afscheid genomen,” is het simpele antwoord. Ik zeg hem dat hij er nog steeds goed uitziet met zijn ruim acht jaar. Hij geeft aan dat het hier zijn tijdloos is voor hem. Tijd is niet van belang.

Randy is altijd een wat bolle cavia geweest. Niet dik, maar inderdaad: goed gevuld. Toen ik hem een tijdje geleden vastpakte vond ik hem dun en een echt oude man. Op zijn logeeradres is hij weer dikker geworden en ik vraag hem hoe dat komt. “Marie at sneller,” antwoordt hij. Ik schrik en zie dat het ernstige nalatigheid van mij is dat ik dat niet door had. Ik gaf ze altijd groente op twee schoteltjes maar met dat ik dat denk, hoor ik Randy grimassend zeggen: “Denk je dat wij ons aan schoteltjes houden? Marie at gewoon sneller de laatste tijd.” Het klopt dat ze tot het eind toe goed gegeten heeft.

Randy vindt dit gesprek een leuk intermezzo. Ik heb toch nog een belangrijke vraag voor hem, namelijk hoe hij het ervaart dat de kat en de hond bij hem in en uit kunnen lopen. “Prima. Voor de kat loop ik toch weg als hij met z’n poot speelt en de hond is wat lomp maar daar loop ik gewoon onderdoor.” Hij sluit het gesprek af met dat hij een goed gevulde cavia moet blijven. En ik grinnik want ik heb me al zo vaak afgevraagd waar al dat hooi toch blijft dat ik geef. Een wonder: hele bulten worden verwerkt tot kleine compacte keuteltjes. Dat bedoel ik met dat het nergens over gaat. Maar ik geniet enorm van deze diertjes en speciaal van deze kleine relaxte man.

 

Tirza 8: De kat die naar buiten wil en niet kan

Anderhalf jaar geleden zijn we van een vrijstaande woning in de bossen naar een appartement in de stad verhuisd. Onze oude poes vindt het nog steeds moeilijk dat ze niet naar buiten kan en eerlijk gezegd hebben we dat onderschat dat ze het er zo moeilijk mee zou hebben. Hier een gesprek hierover.

M: Dag Tirza, kunnen we praten?
T: Als het moet.
M: Ja, ik wil je kunnen begrijpen en dat doe ik momenteel niet. Je klaagt steeds in huis en ik interpreteer dat op de manier dat je naar buiten wilt. Klopt dat?
T: Ja, ik wil heel graag naar buiten.
M: Vandaag heb ik je buiten gezet omdat je zelf niet door het trappenhuis durft te lopen om buiten te kunnen komen, klopt dat?
T: Ik wil niet buiten gezet worden, ik wil zelf naar buiten kunnen lopen.

Ik wil niet buiten gezet worden, ik wil zelf naar buiten kunnen lopen

M: Maar dat gaat niet waar we wonen, we wonen nu eenmaal op de eerste verdieping en er is geen eigen poezentrap voor jou.
T: Maar die wil ik wel hebben.
M: Zou je daar gebruik van maken? Durf je dat?
T: Op den duur wel, ik zal er aan moeten wennen.
M: Maar je kunt toch ook wennen aan de voordeur en dan het trappenhuis en dan de deur van het complex?
T: Misschien wel, maar dan ben ik buiten en vind ik het eng met al die mensen die er langskomen en de andere dieren die er rondlopen.
M: Dus durf je eigenlijk niet naar buiten.
T: Niet aan die kant.
M: Zou je het een idee vinden om bij de mensen onder ons te gaan wonen? Het zijn hele lieve oudere mensen en ze zijn gek op katten en hebben nu zelf geen poes. Als je daar zou wonen, kun je gewoon in en uitlopen, zonder dat je moet zeuren om er uit gelaten te worden.
T: Dat weet ik niet. Ik ben erg aan jullie gewend, jullie zijn niet eng en best wel aardig. Ik mag bij jullie op bed slapen en krijg mijn eten op tijd en kan en mag veel slapen en krijg mijn rust. Waarom dat veranderen?
M: Dat lijkt me duidelijk, dan kun je naar buiten als je wilt, dat kan bij ons niet.
T: Kunnen jullie dat dan niet maken dat ik zelf naar buiten kan?
M: Nee, dat kan helaas niet. We mogen niet zomaar een trapje tegen de gevel aan maken, dan krijgen we ruzie met de mensen om ons heen.
T: Zijn die zo intolerant?
M: Nou het staat in de afspraken die met elkaar zijn gemaakt dat het niet mag.
T: En dan kan het niet? Afspraken zijn toch eenvoudig afspraken, daar hoef je je niet altijd aan te houden toch?

Afspraken zijn toch eenvoudig afspraken, daar hoef je je niet altijd aan te houden toch?

M: Dat is juist wel de bedoeling met afspraken. Maar terug naar de essentie: zou jij bij de beneden buren willen wonen om steeds als je dat wilt naar buiten te kunnen? Voor de goede orde dan woon je, slaap je en eet je bij hun en niet meer bij ons.
T: Dat gaat me te ver. Ik geloof niet dat ik me happy zou voelen om nu bij andere mensen te gaan wonen die ik niet al heel lang ken. Dat is wat anders met je broer, die ken ik al heel lang en die is lief tegen me.
M: Dus je kiest er voor om bij ons te wonen en daarbij niet naar buiten te kunnen?
T: Nee, daar kies ik niet voor. Ik kies om bij jullie te wonen en toch zelf naar buiten te kunnen.
M: Maar dat kan niet.
T: Dan moeten jullie dat maar regelen, doe beter je best.

Dan moeten jullie dat maar regelen, doe beter je best

M: Tirza zo zit het niet in elkaar, het kan en mag niet wat jij wilt. Dus jouw keus is bij ons wonen en binnen blijven of bij de beneden buren wonen en zelf naar buiten en naar binnen kunnen gaan. Wat wordt het? Je mag er ook later anders over denken en op je keuze terugkomen.
T: Ik kies er voor om bij jullie te wonen en naar buiten te kunnen.
M: De keuze lijkt me duidelijk. Dank je wel.

210721

“Zorg jij nu maar voor wat lekkers.”

Ik heb al eerder geschreven over Rozette, de kat die ik uit het asiel heb gehaald, maar die niet aan boord wil wonen. Ze heeft een plekje achter de dijk gevonden, 500 meter van ons schip vandaan. Daar heeft ze twee ‘woningen’ en elke avond breng ik haar eten.

“Waarom had je geen eten bij je?” Zo, weer lekker direct, die Rozette.

Bij de ochtendwandeling met de hond (die wat later uitviel) kwam ik haar tegen op de dijk en enthousiast liep ze rond m’n voeten. Toen ik op mijn kantoortje was, maakte ik contact met haar. “Ik breng je toch altijd ’s avonds eten? Het was geen avond.”

“Ik ken je nu zo goed. Ik hoopte op wat lekkers. Als je nou net als een ouderwetse oma altijd wat lekkers in je jaszak stopt voor dit soort situaties?”

Rozette is niet een enorme prater maar ik krijg dit keer toch wat meer los van haar. Ze houdt van de rust, stilte en vrijheid. Ze zoekt altijd goede, fijne plekjes. Er wordt stevig gebouwd rondom haar maar daar trekt ze zich weinig van aan. Ook honden die onverwacht langs komen weet ze te vermijden door de struiken in te duiken waar de honden niet in kunnen.

Ik vraag haar hoe het met het jagen gaat. “Jij noemt het jagen maar het is onderdeel van mijn leven. Ik luister naar geluidjes, stem me erop af en grijp. Dat zit zo in me. Wij zijn één daarin, het staat niet los van mij.”

“Je weet dat je nog altijd welkom bent aan boord, hè?” begin ik maar weer eens. “Dat is veel te complex voor mij. Dan moet ik me aanpassen en daar heb ik totaal geen zin in.” Dat is duidelijk.

Ze laat zien dat de nachten prachtig zijn. Natuurlijk zijn er andere katten, beantwoordt ze mijn vraag in beeld, maar dat is oké. “We kennen elkaar.”

“En die haas laatst? Die lag ineens dood in de wei en daar hebben heel wat dieren van gegeten. Ik zag jou daar ook lekker van smullen.” “Ja, dat was een luxe,” laat ze weten. Gewoon aanschuiven wanneer ze zin had.

Ik neem afscheid van haar, er is al heel wat meer uit gekomen dan anders en ze eindigt met me te laten weten: “Zorg jij nu maar dat je steeds wat lekkers bij je hebt!” Katten hebben kennelijk niet alleen in huis hun personeel…

(PS Let op de foto even op het afgeknipte oortje: als een kat gevonden wordt dan wordt hij/zij in het asiel gesteriliseerd en als bewijs wordt het topje van een oor afgeknipt; bij Rozette bleek het openmaken niet nodig want ze was al gesteriliseerd dus ze hebben het topje afgeknipt en haar weer dichtgenaaid)

Kaila 7: Een waarneming op de hei

Ik loop al een tijdje met onze hond Kaila dagelijks op de hei te wandelen. Zo af en toe kom je honden tegen die niet aardig zijn. Zo loopt er een stel mensen met hun honden waar iedereen een straatje voor omloopt. Heb ik ook lang gedaan. Maar soms kun je ze niet ontwijken, lopen ze net op jouw pad en is er even geen ontsnapping aan. En waar je dan voor vreest gebeurt, twee van de drie honden storten zich op Kaila en vallen haar aan, Kaila gilt het uit. Ik schiet met mijn stem uit mijn slof en spreek de beide honden aan ‘dat doe je niet’ en zo kruipen beide terug in hun schulp en zijn ineens gedwee. De eigenaren vertellen dat hun honden bekend staan als de ‘hooligans’ van de hei, lijkt me niets iets om trots op te zijn. We lopen verder.
Een paar dagen later komen we ze weer tegen en Kaila loopt er gewoon tussendoor alsof ze er niet zijn en de hooligans reageren niet. Ik ben verbaasd, hoe kan dit? Mijn broer die dit mee maakte en het zag gebeuren, stelt dat ik een waarmerkje heb in mijn aura en dat deze honden nu weten, geen rare dingen doen in zijn nabijheid. Ik weet het niet.
Zoals dat gaat op de hei, je blijft elkaar af en toe tegenkomen, op afstand meestal en soms niet. Ik hoor nog regelmatig kleinere honden aangevallen worden door de hooligans, maar ik zie nooit schade. Het is blijkbaar slecht gedrag, maar niet dodelijk.
Tot gisteren waren we ze al een tijdje niet meer tegengekomen. Maar nu lopen we op hetzelfde pad en zij komen ons tegemoet. Kaila loopt vrij te wandelen en ziet ineens op 20 meter afstand de hooligans aankomen. Ze draait zich om kijkt achter welke boom ze zich kan verschuilen, maar er is niets beschikbaar. Ze besluit gewoon achter mij te gaan lopen en zo lopen we tussen de hooligans door en er is niets aan de hand. Deze twee honden zijn in mijn bijzijn genezen van hun agressieve gedrag.
Er is nog een andere hond die alleen ’s ochtends heel vroeg los uitgelaten wordt, ook omdat hij andere honden aanvalt. Kaila en ik kwamen hem een keer tegen, in het donker, waardoor de baas ons niet gezien had. Hij viel Kaila aan en kreeg dezelfde behandeling van mijn stem als de hooligans. Ook deze hond komen we nog af en toe tegen, maar geen spoortje meer van agressief gedrag naar Kaila toe.
Hoe kan dat? Ik heb (nog) geen antwoorden. Maar Hyronimus wel, zie hieronder, dit vertelde Hyronimus mij tijdens een volgende wandeling.

Hyronimus
M: Dag Hyronimus, je hebt me al min of meer antwoord gegeven op bovenstaande vraag.
H: Ja, leuk bedacht met zo’n rood vlaggetje, maar daar is geen sprake van. Het is je houding. Jij geeft met jouw houding aan mij kun je niets maken en Kaila geniet van die houding van jou en gaat daar helemaal in mee. Ze wentelt zich als het ware in jouw vertrouwen en krijgt daarmee zelf ook het vertrouwen van ‘ze kunnen me niets maken’. En dan kan ze gewoon tussen die honden doorlopen, die namelijk aan haar houding zien dat ze zich niet bang laat maken. Dat is de hele truc.
M: Dank voor de uitleg, dat klinkt als heel eenvoudig.
211221