Dieren kunnen door hun aard heel andere belevingen hebben dan mensen. Dat geeft vaak verrassende inzichten en echt, met dieren kun je lachen!

Vrije wil

Heb ik een lievelingsverhaal in mijn boek In de Stilte hoor je alles? Ik blader es door het boek en moet grijnzen als ik bij hoofdstuk 7 ben: Vrije wil.

Ja, dit is wel een van mijn lievelingshoofdstukken, denk ik. Het begint zo:

“Ik verzucht wel eens: ’Rare jongens, die mensen… ‘ Of ik even kan regelen dat de hond ophoudt met blaffen of dat ik de kat kan laten ophouden met het krabben aan het kleed. Nee, natuurlijk kan ik dat niet. Ik dresseer geen dieren naar ieders believen. Het zou een mooie boel zijn als ik met dieren zou gaan praten om te zeggen wat ze wel en niet moeten doen. Ik kan wel met dieren praten over bepaalde ergernissen van mensen.”

Verderop in het hoofdstuk leg ik uit:

“Goede communicatie met dieren is gebaseerd op respect, verdraagzaamheid én vrije wil. Daarom kan het heel goed dat mens en dier en soms niet uit komen met elkaar. Ik moest een keer een kat vragen waarom ze altijd aan de slaapkamerdeur krabde. De kat wilde graag in de kast op de slaapkamer slapen, zei ze. ‘Dat dacht ik al. Maar dat wil ik niet. Ik vind die haren in mijn kast vies,’ reageerde de vrouw. Beiden waren niet bereid een compromis te sluiten. We moesten dit onderwerp dus afsluiten in de wetenschap dat de kat zou blijven krabben aan de deur en dat de vrouw de deur gesloten zou houden.”

Ook uit dit hoofdstuk:

“Toen wij een jonge gierzwaluw vonden die we wilden voeren, deed hij zijn bekje niet open. We moesten hem dwangvoeren wilden we hem in leven houden. Ik dacht: ‘Het moet toch mogelijk zijn dat ik zijn bekkie open kan praten…’ Dus ik legde het jonge diertje de voordelen uit van het zelf openen van zijn snavel. Maar niks, hoor. Het zat me aardig dwars dat het mij, als tolk, niet lukte om dit voor elkaar te krijgen. Tot ik me ineens realiseerde dat dieren ook een vrije wil hebben. Deze zwaluw vond het nog veel te onveilig, vertelde hij later en dat was de reden dat hij zijn snavel dicht hield. Pas na drie dagen opende hij zelf zijn snavel. Je kunt iemand wel stimuleren, maar de motivatie moet van binnenuit komen, ook bij een dier.”

Egel in winterslaap

M: Dag egel, mag ik je storen?
E: Dat doe je al en ik sta er nu niet voor open.
M: Waarom niet?
E: Ik weet niet of je het weet, maar wij slapen nu, we doen nog onze winterslaap, want het is te koud om buiten te lopen.
M: Heb ik je gestoord in je slaap of kun je ook tijdens je slaap met me communiceren?
E: Eigenlijk heb je me gestoord, maar je hebt me inmiddels zo wakker gemaakt dat ik toch met je kan praten.
M: Sorry, was niet de bedoeling, ik dacht dat je al weer uit je winterslaap was gekomen.
E: Nou dat is toevallig niet zo, vind jij het dan niet koud buiten?
M: Ja zeker, ik vind het behoorlijk koud en zeker die koude oosten wind maakt het buiten niet echt aangenaam.
E: En dan denk je dat wij daar gezellig in rondlopen? Zo gek zijn we niet.
M: Daar heb ik niet bij stil gestaan toen ik dacht met welk dier ik eigenlijk zou willen praten. Ik dacht dat het leuk zou zijn en ik heb je al lang niet gezien en gesproken.
E: Dat klopt, maar dat heeft ook zijn reden, omdat ik in winterslaap ben. Maar goed, ik heb genoeg geklaagd en je duidelijk gemaakt dat je me lastig valt. Waar kan ik je mee helpen?
M: Ik vroeg me af hoe jij dat doet in je winterslaap en nogmaals sorry, ik had gedacht dat ik ook met je zou kunnen communiceren terwijl je in slaap zou zijn.
E: Nou wij gaan in winterslaap zodra het te koud wordt om nog op een goede manier voedsel bij elkaar te scharrelen. We eten veel verschillende soorten voedsel, maar een belangrijk deel is dierlijk. Veel kleine insecten, slakken, rupsen en ook wormen, die we dan uitgraven met onze neus en poten. In de winter is er veel minder voedsel voor ons, maar daarvoor kunnen we in de herfst ons nog te goed doen aan fruit dat uit de bomen valt. Zodoende kunnen we ons best goed vol eten voor we in winterslaap gaan. Dan zijn we zuinig met onze energie en kunnen we het best lang volhouden tot het weer warmer wordt en we gemakkelijker aan voedsel kunnen komen.
M: En nu heb ik je wakker gemaakt.
E: Ja, terwijl ik nog heerlijk in mijn stadstuin onder een hoop bladeren lig, ben ik nu wakker en ga ik straks als het begint te schemeren nog even buiten kijken. Wie weet vind ik nog iets eetbaars. Maar daarna ga ik toch weer een tijdje slapen tot het echt wat lekkerder wordt daarbuiten.
M: Is jouw opgerolde staat en een laagje bladeren voldoende om de koude winter door te komen?
E: Als de plek voldoende beschut is, beslist windvrij, droog en met een lekkere hoop bladeren, kan ik er heel goed tegen.
M: Jij zegt dat je helemaal wakker geworden bent door mij, maar kun je niet alleen met je bewustzijn aan communiceren? Daar hoeft je fysieke lijf toch niet voor wakker te worden?
E: Dat is niet helemaal zo. Als ik echt in winterslaap ben, is ook mijn bewustzijn op een heel laag pitje, dat staat zeker niet aan op dat moment. En als je dan wilt praten, dan moet dat bewustzijn wakkerder worden en daarvoor moet mijn lijf ook een beetje meer wakker worden. Gelukkig niet helemaal wakker. Dus als ik zou willen kan ik ook vrij snel weer inslapen. Maar voor vandaag ben ik zo wakker dat ik ook mijn stijve ledematen even een wandelingetje gun. Niet te veel en niet te ver en ik wil het niet erg koud krijgen, dus ook niet te lang. En zoals ik al zei, misschien vind ik nog wel een lekker hapje.
M: Nou dank je dat je met me wilde praten, ondanks dat ik je wakker gemaakt heb. Ik hoop je in het voorjaar weer eens te zien en horen.
E: Nou wie weet.
250211

 

Zorgzame dumping

Pedro woont op de plek waar Rozette drie jaar geleden heen getrokken was. Op een dag, een kleine anderhalf jaar geleden, was hij er ineens. Inmiddels is Rozette al ruim twee maanden uit zicht verdwenen en tref ik dagelijks alleen Pedro aan. Tijd voor een gesprekje.

Als ik contact maak schrikt hij naar achteren. Stom, ik had voorzichtig moeten starten. Hij maakt al snel duidelijk dat zijn buik vol is (ik had hem net zijn dagelijkse brokjes gebracht) en hij wil wel contact op deze manier.

Ik laat hem zien dat hij er ineens was en dat beaamt hij. Zo voelt het voor hem ook. We vermoeden allebei dat hij ergens bij mensen is geboren en op deze plek neergezet is, misschien wel vanwege Rozette en het feit dat zij dagelijks eten kreeg. Een zorgzame dumping van het kitten kennelijk.

Het opvallende aan Pedro als kitten was dat hij enorm miauwde. Een echte ‘zwerfkat’ zou dat niet doen, die zou zich niet laten opvallen bij mensen. Pedro heeft zich een beetje opgedrongen aan Rozette en uiteindelijk hebben ze daar een modus in gevonden.

Maar nu is Rozette dus al een tijd weg en Pedro is alleen. Ik ben benieuwd of hij iets mist en of hij in een huis zou willen wonen.

Pedro laat zien dat hij zich uitstekend vermaakt in deze hoek, met struiken en diverse schuilplekjes. Hij mist niets. Zelfs Rozette niet, die hij laat zien als een soort grote tante van wie hij veel geleerd heeft en aan wie hij veel gehad heeft.

Ineens hoor ik: “Zit me niet wat op te dringen!” Kennelijk geef ik hem beelden van in een huis wonen, bij mensen en eventueel andere dieren. Pedro wappert het weg en laat zich zien als een gezonde, stevige, vrolijke en zelfstandige kater.

Goed, dat onderwerp is dus afgesloten.

“Hoe zit dat met jou, Pedro?” vraag ik. “Als ik eraan kom dan kom jij al uit de bosjes voordat je me gehoord hebt. Hoe heb je dat toch? Ik kom niet op vaste tijden, dus dat kan het niet zijn.”

Hij laat zien dat hij een jonge, wakkere kat is die goed op zijn omgeving let. Hij laat ook zien dat hij soms wat minder oplet, dat is wanneer hij geconcentreerd aan het jagen is. Op die momenten kan hij zijn omgeving wel eens wat uit het oog verliezen. Maar verder laat hij zien dat hij zijn antennes wijd open heeft en afgestemd is op zijn omgeving.

Ik ga meteen even naar de twee katers die bij mij aan boord leven en ook vaak zitten te wachten als ik eraan kom. Zij laten ook een soort veld om zich heen zien waar ze op zijn afgestemd. Ik realiseer me weer dat dieren beschikken over een veel ruimere wereld. Zij kunnen bij informatie komen waar wij vaak blind en doof voor zijn.

Ik vraag Pedro nog even of ik water moet neerzetten bij hem. Daar vroeg Rozette destijds om. “Welnee, joh, ik loop wel naar het water!” wuift hij het voorstel weg.

De leeuw

Mijn vorige blog ging over een gesprek met een baviaan uit Afrika. Dit keer spreek ik een leeuw. Ik krijg twee foto’s van het dier: eentje waarop hij alleen staat en eentje met zeven auto’s om zich heen.

Als ik het gesprek begin, noem ik mijn naam en de naam van degene die de foto gemaakt heeft. “Ik zie veel mensen. Ik ken geen namen,” reageert hij. In mijn beeld loopt hij op zijn dooie gemakje van me vandaan. Ik haast me een beetje om naast hem te lopen en ondertussen zeg ik hem dat ik wel wat vragen aan hem heb. “Maar ik heb ook vooroordelen,” merk ik eerlijkheidshalve op. Want wat ben je nou voor leeuw als je zo lui tussen auto’s ligt?

Het dier laat een grote onverschilligheid of nonchalance zien. Ik vraag me af of de leeuwen eten krijgen van de mensen. Ik vermoed van niet maar ik ben benieuwd wat hen beweegt om bij de auto’s te blijven.

“We horen de auto’s aankomen,” haakt de leeuw in op mijn gedachten. Daar kan ik me wat bij voorstellen. Vervolgens laat hij zien dat hij wel eens ruikt aan de auto’s. Ik vraag of hij eten krijgt van mensen. “Voor mijn eten wordt gezorgd,” is het antwoord. Ik kan er niet achter komen of hij bedoelt dat hij het van mensen krijgt of dat er gejaagd wordt en hij een mooi stuk vlees mee eet.

Kennelijk zit ik nog in mijn hoofd met de auto’s vol mensen want de leeuw zegt: “Ik ben het gewend. Ze komen en gaan. Als ik m’n buik vol heb kan ik veel verdragen van ze.”

Ik moet eigenlijk naar het toilet maar ik wil het gesprek niet onderbreken. De leeuw verklaart me voor gek: als je moet, dan moet je. Er is al eens eerder een dier geweest die me liet merken dat het niet verstandig is om toiletgangen uit te stellen. Ze hebben natuurlijk helemaal gelijk! Dit is weer zo’n typisch mensending.

We vervolgen het gesprek en het luie, onverschillige, nonchalante van de leeuw valt me weer enorm op.

Ik haak even in op de vacht, zoals ik die op de foto zie. Ik had meer harigheid verwacht. “Je hebt vooroordelen over hoe we zijn.” Nou, dat klopt wel.

Ik vraag hem wat belangrijk is voor hem. “Dat er eten is, zon en slapen.” Meer lijkt voor deze leeuw niet nodig. Ik merk absoluut geen actie bij hem.

Kennelijk blijf ik met het (voor mij) vreemde beeld van die auto’s vol mensen zitten. “Nogmaals,” zegt de leeuw, “ik kijk zelf of ik er heen wil of niet.”

Ik krijg de indruk dat dit dier een rustig bestaan heeft en ik heb niet het idee dat hij moet vechten voor zijn leven. Het voelt een beetje als iemand die met pensioen is. Als ik op internet wat meer informatie over leeuwen zoek en foto’s bekijk, dan merk ik op: “Nou, vermoedelijk ben je nog helemaal niet aan pensioen toe en ben je nog best een jonge leeuw.” “Jij maakt ervan dat ik oud ben, ik niet,” merkt hij op.

De jonge baviaan

Deze foto krijg ik doorgestuurd van iemand die in Afrika op reis was. Er ontstaat een vreemdsoortig gesprek.

Allereerst krijg ik te horen dat ik van ver kom en dat ik laat kom. Ik begrijp niet helemaal goed wat hij bedoelt, maar dan blijkt dat hij refereert aan het moment van opname van de foto. Hij begrijpt niet helemaal wie ik ben want ik stond niet eens achter de camera. Wat doe ik dan hier bij hem?

Ik moet even verwerken wat er in dit korte contactmoment gebeurt: ik zoek contact met dit dier via de foto, kennelijk bevinden we ons op het moment dat de foto is gemaakt en kennelijk heb ik hem laten zien dat ik hier in Nederland op mijn kantoor ben. Er is een beetje wederzijdse verwarring vanwege het zomaar bij elkaar zijn op deze manier van communiceren.

Het gesprek met de jonge Baviaan gaat niet vanzelf. Ik moet aanknopingspunten zoeken om over te praten. Het dier is niet zo happig en niet zo geïnteresseerd.

“Wil je wat van mij weten?” vraag ik. “Mmm, okee”, is de tamme reactie. Ik laat hem zien waar ik ben. In mijn beeld zit hij bij mij in de ruimte en hij verkent de tafel door erin te bijten. Dan ziet hij een van de honden. Hij geeft mij de indruk dat hij alles in zijn bek stopt om te kijken of iets eetbaar is. Ik leid hem van de kleinste hond af en dan ziet hij de twee grotere honden. “Die zijn te groot,” is zijn conclusie. Hij merkt op dat er veel harde voorwerpen in de ruimte zijn en het is allemaal niet eetbaar. Waarom zit ik daar dan? Hij vindt het een beetje sneu voor mij.

Nou, maar weer terug naar zijn omgeving. Ik merk op dat ik een bepaalde verveeldheid bij hem voel. Zo’n niks-gevoel. Hij merkt op: “Moet het altijd leuk zijn dan?” Ik probeer het gevoel te benoemen wat hij doorgeeft, maar ik kom er niet goed uit. Vervelen is te actief. Onverschillig ook. Ik merk op: “Ik had niet zo’n gevoel bij je verwacht, zo’n niks-gevoel.” “Weer wat geleerd, jij,” kaatst hij terug.

Kennelijk stel ik niet de juiste vragen aan hem om wat informatie van hem te krijgen of een gesprek op gang te brengen.

“Waar slaap je doorgaans?” vraag ik hem. Hij laat zien dat hij droomt van een steppe. “Heb je genoeg voedsel?” “Je moet graaien, snel zijn, vooral als het om vlees gaat. Planten eten gaat relaxed.” Ik ga even op internet kijken wat bavianen zoal eten en dat vertel ik hem. “Geloof je me niet?” vraagt hij. “Ik geloof mezelf niet,” antwoord ik. Ik vertel hem ook dat ik weet dat ze in groepen leven. “Ja? En?”

Wat een dier. Nog maar es een onderwerp verzinnen. “Hoe voelt je lijf?” “Wat stel jij toch rare vragen. Je probeert mijn gevoel te analyseren, maar je kunt er ook gewoon in mee gaan.” Het is inderdaad zo dat ik nog steeds zoekend ben hoe ik zijn bui kan omschrijven. Zelfs een paar dagen later ben ik er nog niet achter. Hij laat zien dat het een rustperiode is voor er actie komt. “Ik koester deze momenten,” laat hij weten. Ik vertel dat als ik zo’n bui zou hebben, ik het gevoel heb dat ik niet echt leef. “Onzin! Je ademt toch? Vanuit dit ontstaat vanzelf iets.” “Je lijkt wel wijs voor je leeftijd,” zeg ik. “Ik ben gewoon baviaan,” is zijn antwoord.

“Hee, lieve schat, mag ik je bedanken voor dit gesprek?” “Hoezo lieve schat?!” is zijn reactie.

Ik ben er nog steeds niet achter hoe ik zijn gemoedstoestand kan omschrijven. Hij lijkt niks de moeite waard te vinden om er iets mee te doen. “Ga maar weer naar je harde spullen,” roept hij me nog toe voor we afsluiten.

Een paar dagen later denk ik dat ik zijn bui het best kan plaatsen in de tijd toen ik puber was. Misschien is dit dier ook een puber. Zouden er overeenkomsten zijn?

Foto: Alma Verbunt

Contact hernieuwen

M: Beste Hyronimus, we hebben al lang niet meer met elkaar gesproken en dat vind ik erg jammer.
H: Tja Eddy, maar dat ben jij toch zelf die geen contact opneemt.
M: Dat klopt helemaal, maar jij mag je toch ook wel weer eens laten zien?
H: Je bent het contact een beetje verloren, want je zag me zondag nog duidelijk wegvliegen.
M: Was jij dat? Je zag er zo anders uit, helemaal donker bruin.
H: Wat dacht je van mijn wintermantel?
M: Jij hebt gelijk en vermoedelijk ben ik dan inderdaad het contact een beetje kwijt geraakt. Het lijkt er op dat we in twee verschillende werelden leven. Vroeger kwam ik je dagelijks tegen in het bos, maar daar kom ik nauwelijks meer, helaas.
H: Dat zijn de consequenties van verhuizingen. Dat was jouw keuze en ik zeg niet dat het een verkeerde keuze was, maar het was wel jouw keuze. Daar staat tegenover dat je nu weer nieuwe vrienden maakt op de hei waar je wandelt.
M: Dat klopt, er zijn zoveel mensen die Kaila kennen en door haar mij. Ik weet nog dat ik vroeger tegen Kaila zei dat ze niet naar iedereen toe mocht gaan en er al helemaal niet tegen op mocht springen, maar dan gaf ze me altijd als antwoord: ‘Maar iedereen vindt mij toch lief?’. En daar heeft ze gelijk in, iedereen is dol op haar. Hoe heeft dat zo kunnen gebeuren?
H: Jullie weten dat Kaila een bijzondere hond is. Jullie vorige hond heeft deze hond voor jullie uitgekozen en toen jullie nog twijfelde over deze hond, liep ze als pup al met jullie mee naar de uitgang omdat ze klaar was om met jullie mee te gaan. Jullie dachten dat het de keuze van Kaila was, maar zoals Kaila jou heeft laten weten werd ze gestuurd, zij had geen keus. Alleen jullie moesten nog geholpen worden om de juiste keuze te maken en daar was jullie vorige hond ook bij betrokken. Dat hebben jullie nooit geweten, maar hij heeft jullie in jullie onderbewustzijn laten zien dat dit de juiste hond voor jullie was.
M: Dat weet ik nog wel dat we moeite hadden om deze keuze te maken. We waren op zoek naar een witte reu en kwamen thuis met een bruine teef, dat vraagt toch wel enige gewenning. En nu blijkt het ook nog een toverbal van een hond te zijn, want ze wordt steeds meer lavendel kleurig. Er staat echter een bijzondere lieve hond tegenover. En ze heeft gelijk, iedereen is gek op haar. Hoe heeft dit gesprek nu toch hier op uit kunnen komen, ik wilde je hele andere dingen vragen.
H: Soms lopen gesprekken anders dan je verwacht. Laten we een volgende keer de andere dingen bespreken die jij wilde vragen, OK?
M: Ja, dank je wel.

 

Nieuwe vrienden: kraaien op de hei

Mijn vrouw en ik hebben nieuwe vrienden gemaakt op de hei. Er leeft op het stuk waar wij veel wandelen een stelletje kraaien en ze herkennen ons inmiddels. Zodra wij verschijnen vanuit het bos, vliegen ze naar ons toe en lopen ze rondom ons en af en toe vliegen ze weer een stukje omdat ze achtergebleven waren. En natuurlijk zijn we er toe over gegaan om ze te voeren en dat weten ze. Door dit leuke contact lijkt een gesprek wel op zijn plaats.

M: Dag kraaien, wie van jullie wil even met mij praten?
K: Dat lijkt me leuk, we zien elkaar dagelijks twee keer en het lijkt me leuk, ook mijn mannetje lijkt het leuk even te praten, dus maar na elkaar?
M: OK, dan noem ik jou even Kv en jouw mannetje Km, is dat goed of hebben jullie ook namen?
Kv: Ja, die hebben we, maar die kan jij niet uitspreken of opschrijven, dus Kv is goed. Wat heeft jullie er toe gebracht ons te gaan voeren?
M: Ho even, ik vind het heel leuk om met jullie te praten, maar dit gesprek loopt heel anders dan ik gepland had, ik wilde jullie vragen stellen.
Kv: Dat is ook leuk, maar ik wil wel graag mijn vragen eerst beantwoord zien. Dus waarom?
M: Ik weet dat jullie hele intelligente vogels zijn en ik heb ook al een aantal keren ervaren dat het eenvoudig is met jullie te communiceren. Dus ik vroeg me af of we ook een vorm van vriendschap konden sluiten. Dus gooide ik wat kleine hondenbrokjes naar jullie toe.
Kv: En wij domme kraaien laten ons meteen door een brokje verleiden tot vriendschap?
M: Nou daar lijkt het niet op. Jullie gedragen je erg opportunistisch en vliegen met ons mee en nemen jullie brokjes. Inmiddels ben ik op kitten brokjes overgegaan die ik speciaal voor jullie heb gekocht.
Kv: Dat is lief van je. We waarderen je voer erg, altijd fijn als het je gemakkelijk gemaakt wordt.
M: Is dit voer OK voor jullie of heb je liever wat anders?
Kv: Wat stel je voor?
M: Niets, het is gewoon een vraag.
Kv: Wij zijn niet zo kieskeurig. Dit is prima. Maar iets anders kan ook fijn zijn.
M: Mag ik nu wat vragen stellen?
Kv: Ga je gang.
M: Jullie wonen echt op de hei en dat is jullie plek, klopt dat?
Kv: Ja, wij zijn territoriaal op deze plek, de hei is ons deel van het gebied en daar komen in principe geen andere kraaien, soms wel eens een enkele passant. Die vertrekt weer snel en dan hebben wij het gebied weer voor ons alleen.
M: Wie van jullie is de brutaalste?
Kv: Dat is zonder twijfel mijn partner. Die had jullie ook als eerste door en vloog steeds achter jullie aan.
M: Dan kan ik hem herkennen aan zijn vlekjes op zijn vleugels als hij vliegt.
Kv: Dat klopt. Wil je nu met hem praten, ik kan nog wel even doorgaan, maar ik wil hem ook een kans geven.
M: Ja graag.
Km: Nu ben ik aan de beurt. Ja, ik zag jou een tijdje terug en kreeg door dat je tegen je vrouw opschepte dat kraaien snel leren en door ons wat eten te geven, hadden wij snel door dat jullie steeds wat eten meenemen. En dan zit ik op de uitkijk in mijn boom waarin ik het overzicht heb over nagenoeg de hele hei en zie ik jullie aankomen en dan vlieg ik om jullie welkom te heten. Zo lijkt het en zo presenteer ik dat ook graag, maar ik weet gewoon dat jullie blij worden van als we jullie tegemoet vliegen en dat we dan meteen wat lekkers krijgen.
M: Zo dat is een heel verhaal. Ik dacht dat jouw vrouwtje zei dat zij de prater was, maar ze zou moeten weten dat jij de prater bent.

Ik stem op jullie af en weet wanneer jullie komen

Km: Dat weet ze ook, daarom begint ze meteen met jou te praten anders komt ze er niet meer aan te pas, weet ze. Jij vraagt je af hoe we jullie herkennen? Dat zal ik je vertellen en het zal je verbazen. Ik stem op jullie af en weet wanneer jullie komen, en of jij alleen met jullie krullenbol loopt of jullie samen, ik weet dat jullie er aan komen. En ik weet ook dat je ons zo graag een keer wilt filmen als we op onze uitkijkpost in de berk zitten en we naar jullie toe komen zeilen. Maar dat lukt niet omdat we al klaar zitten op de grond waar je uit het bos komt. En dan wachten we op ons voer. We weten dus dat je er aan komt en dan is het niet moeilijk jullie te herkennen, ook op grote afstand want wij hebben hele goede ogen. Daarom vinden we ook bijna altijd het voer dat je stukje voor stukje naar ons toegooit in het gras of tussen de heidepollen. Alleen jammer dat jullie krullenbol (Kaila, de hond) af en toe jaloers is en ons wegjaagt, waardoor we het voer niet kunnen vinden. Ook andere honden hebben groot plezier om achter ons aan te jagen, daarom zijn we altijd erg op onze hoede. Ja, want dat wilde je vragen: waarom blijven jullie steeds opvliegen als je iets gooit, toch?
M: Dat klopt, dat wilde ik graag weten.
Km: Zoals ik net al zei, we moeten erg op onze hoede zijn voor van alles wat er op ons af komt stuiven en dat we steeds iets opvliegen als je een brokje gooit heeft te maken met die focus op bewegingen die ons kunnen schaden. Dus dat is niet omdat we bang zijn dat jij ons iets aandoet, maar iedere plotselinge beweging betekent dat we aangevallen kunnen worden en daar moeten we alert op zijn.
M: Wat geniet ik van dit gesprek. Maar ik moet nog meer doen, kunnen we een andere keer weer met elkaar praten?
Km: Jullie mensen zijn altijd maar druk, druk. Neem toch gewoon je tijd man. Maar het lijkt me leuk een andere keer verder te praten. Dank je.
M: Jij dank je wel en jullie krijgen de groeten van mijn vrouw.
Km: Doe haar de groeten terug. Tot ziens.
241120

Pauw in het wild in India

M: Dag Pauw, mag ik met je praten?
P: (Een beetje grumpie) Dat ben ik niet gewend, wat wil je van me?
M: Ik wil niets speciaals van je, maar we kwamen elkaar tegen en ik dacht, laat ik eens kijken of je wilt praten.
P: Nou, dat weet ik niet. Ik praat niet zomaar met iemand.
M: Ik hoorde anders dat je min of meer vriendschap hebt gesloten met de bewoner van het huis, waar ik je voor de deur aantrof.
P: Dat is iets heel anders. Hij geeft me af en toe iets lekkers en daar ben ik wel op gesteld. Dus tolereer ik hem wel in mijn omgeving.
M: Ik heb toch gehoord dat het wel iets meer is dan tolereren, je bent wel graag bij hem in de buurt.
P: Dat zeg ik toch, ik blijf af en toe een beetje in zijn omgeving, zodat hij begrijpt dat ik weer wat lekkers wil hebben.
M: Dus eigenlijk ben jij hem aan het trainen om jou te verwennen.
P: Dat noem ik geen verwennen, dat noem ik goed zorgen voor mijzelf. Per slot van rekening loop ik hier vrij rond en moet ik mijn eigen kostje bij elkaar zoeken en als ik dat wat kan vergemakkelijken, dan is dat meegenomen.
M: Ik begrijp het. Heb je nog speciale eigenschappen?
P: Als je dat zo wilt noemen. Ik zit graag in een boom met mijn harem om me heen in de boom. Lastig is alleen dat ik niet zo hoog kan vliegen door mijn prachtige staart, de vrouwen kunnen veel hoger in de boom. En dat doen ze ook.
M: Ben je ook een beetje filosofisch ingesteld of ben je alleen maar een hele mooie mannetjes pauw?
P: Nou zeg, noem jij dat gezellig praten en mij daarbij een beetje uitschelden voor een blaaskaak. Daar ben ik niet van gediend.
M: Zo bedoelde ik het niet, maar ik vroeg me wel af of je ook aan zelfreflectie doet?
P: Doe nu niet zo moeilijk, wij zijn pauwen, we leven niet in andere tijden dan nu, dus wat zeur je over zelfreflectie? Dan ben je toch aan het terugkijken, daar doen we niet aan. En jij zou er goed aan doen ook wat meer in het nu te leven, dan kun je een hoop dingen los laten die je nu als ballast hebt.

Doe nu niet zo moeilijk, wij zijn pauwen, we leven niet in andere tijden dan nu

M: OK, dank je wel voor deze wijze raad. Wat zou ik dan zoal moeten loslaten?
P: Je bent nu verergerd omdat je iemand een opdracht hebt gegeven die al lang klaar had moeten zijn, maar omdat jij niet steeds in het land bent, gewoon blijft liggen. Maak morgen gewoon goede afspraken met die man en laat los dat hij je niet heeft geleverd wat je al veel eerder had willen hebben en nodig had. Daarmee krijg je het niet eerder.
M: Zo, jij leest mij ineens. Je hebt gelijk, ik heb ergernis daarover en dat wil ik die man morgen ook laten weten.
P: Wat schiet je daarmee op? Die man weet dat heus wel, dat hoef je hem niet te vertellen. Als je in de plaats daarvan alleen in het nu bezig bent, hebben jullie geen onderlinge wrijvingen en kun je veel makkelijker tot afspraken komen.
M: Ik zou zeggen daar heb je wel een punt. Maar dat valt niet echt mee.
P: Maar zie je dat je het jezelf veel gemakkelijker maakt door zo te handelen?
M: Ook daar heb je gelijk in.
P: Wilde je nog meer filosofie hebben?
M: Sorry dat ik het vooroordeel kreeg omdat je zo arrogant overkomt, maar je bent inderdaad een wijze pauw en een mooie pauw. Dank je wel voor dit gesprek. Wil jij nog iets zeggen?
P: Hier heb ik niets aan toe te voegen.
241008

De peuter en het aapje

Ik krijg een foto door van mijn kleinzoon met een doodshoofdaapje in Apenheul. Ik probeer contact te maken met desbetreffend aapje en voel een heel bescheiden wezen.

‘Waarom ik?’ lijkt hij te willen zeggen.

“Nou,” antwoord ik, “je zat bij mijn kleinzoon op zijn kinderwagen.”

‘O, dat wist ik niet,’ klinkt het weer even bescheiden.

“Dat geeft niet. Ik ben alleen heel nieuwsgierig hoe het voor jullie is om zoveel bezoek te hebben.”

‘Normaal gesproken praten mensen niet met me. Ze kijken alleen maar.’

“Ik kan me voorstellen dat het even gek is maar ik zou het leuk vinden iets van je te weten te komen.”

Het aapje laat in reactie op mijn opmerking over het vele bezoek zien dat er rust in het park is als de mensen weg zijn. ‘Dan kunnen we uitrusten. Een beetje mijmeren. Restjes zoeken. We kijken ook naar achtergebleven spullen.’

Het aapje laat zien dat ze de mensen aan zien komen en meteen is hun wezen gevuld met de vraag wat ze bij zich zullen hebben.

‘De mensen komen in ons terrein. Ze komen wat halen (kijken) maar wij komen ook wat halen.’ Een win-win situatie dus. Eigenlijk mogen ze niet gevoerd worden en het aapje laat zien dat hij dat ook weet. ‘Maar,’ merkt hij een beetje ondeugend op, ‘er zijn altijd kruimels. En geuren. En materialen. Soms pakken we wat.’ Wat ik van het diertje begrijp zijn mensen een attractie voor hem.

Ik geef hem het beeld door van een mensenmassa en hij laat zien dat ze altijd weg willen kunnen, dat ze zich niet laten insluiten. ‘Wij verkennen. En verkennen vraagt ruimte.’ Het aapje laat zien dat hij de kleine mensjes het leukst vindt. Ze hebben een open blik, er zitten niet zoveel oordelen en meningen aan vast.

Ik vraag het diertje of hij het moeilijk vindt om met mij te praten. ‘Nee hoor,’ is het antwoord, ‘jij geeft ruimte.’ Hij laat zien dat hij het okee vindt dat de mensen komen. ‘Als we geen zin hebben in ze, dan blijven we wat meer op afstand. Het is okee hier.’

Ik zeg het dier dat ik dit gesprek ga gebruiken voor publicatie. Dat vindt hij een goed idee.

De volgende dag zit er een kort filmpje in mijn app waarop te zien is dat mijn kleinzoon met één trap van z’n 15 maanden oude voetje een aapje wegschopt. Ik vraag het aapje wat hij daarvan vindt. ‘Ach, dat hoort erbij,’ hoor ik heel laconiek. Hij kan zich er niet druk om maken.

Een vrolijke libelle

Vandaag zoek ik een libelle om een gesprek mee te hebben, ik ben gewoon nieuwsgierig naar deze mooie dieren. En er dient zich een prachtexemplaar aan.

M: Dag Libel, mag ik met je praten? Jij lijkt me zo’n vrolijke flierefluiter.
L: Praten je, flierefluiter in het geheel niet. Wat je ziet is een mooi insect dat heel bijzondere vluchten kan uitvoeren, maar dat zijn altijd nuttige vluchten.
M: Bijzonder om te horen, ik dacht dat jullie altijd een beetje lol maakten met jullie prachtige capriolen in de lucht. Ik vind jullie echte kunstenaars in het vliegen.
L: Ja dat lijkt wel zo en ik moet bekennen dat we heel erg beweeglijk zijn en we kunnen alle kanten op vliegen en heel snel wenden en keren. Dat is nuttig omdat wij in het midden van de voedselketen zitten. Wij zelf jagen op muggen en kleine vliegjes, maar vogels jagen weer op ons en dan wil je toch wel snel uit de voeten kunnen.
M: Daar heb je gelijk in. Maar als ik op een warme dag jullie in grote getalen zie vliegen en de raarste capriolen zie uithalen, is dat vast niet alleen om rovers te ontwijken.
L: Dat klopt, we genieten zelf ook wel van alle kunstjes die we met onze vier vleugels kunnen uithalen. Dus in zoverre heb je wel gelijk dat we kunstenaars zijn voor de lol.
M: Maar nu wat serieuzer. Hoe is jullie leven opgebouwd als je bij het begin begint.
L: We ontstaan uit een eitje dat onze moeder in het water legt. Als eitje worden we larve en dan beginnen we al met eten van andere dieren, dus eigenlijk zijn wij rovers. We voeden ons met andere larven en muggen eitjes en larven, maar ook andere waterdiertjes, soms ook kleine visjes.
M: Hoe lang zitten jullie dan in het water en hoe weet je dat je er uit moet kruipen om libelle te worden?
L: Ons larven stadium is heel wisselend van duur. Soms zijn we enkele maanden larve, maar soms ook wel anderhalf jaar. Dat is afhankelijk van temperatuur en voedselaanbod.
M: En hoe weet je dan dat je uit het water moet kruipen om een libelle te worden?
L: Zoals ik al zei, dat weet je vanwege de temperatuur. Want we kunnen alleen ontpoppen tot een libelle als het warm genoeg is. Wij zijn koudbloedig, als de meeste insecten of alle, dat weet ik niet, en we moeten onze vleugels laten drogen voor we kunnen vliegen. Tijdens dat droogproces zijn we erg kwetsbaar en dus moet dat niet te lang duren.
M: Dat begrijp ik. En als je dan opgedroogd bent en jij bent wel erg mooi opgedroogd, hoe gaat dat dan verder?
L: Leuk dat complimentje van jou, maar daar vind ik geen partner mee. Mijn partner selecteer ik op basis van zijn krachtige uitstraling en dat kan ik zien door zijn vliegkunsten te bekijken.
M: Dus al die capriolen die jullie uithalen zijn ook een vorm van paringsdans?
L: Zo zou je dat kunnen noemen, hoewel we ze ook moeten uithalen om ons voedsel te vangen en om aan onze vijanden te ontkomen. Dus wendbaarheid is heel belangrijk voor ons.
M: En als je dat gedaan hebt, hoe lang leef je dan als libelle?
L: Dat is weer afhankelijk van het tijdstip van ontpoppen en de temperatuur. Zijn we vroeg in het voorjaar uitgekomen, dan kunnen we enkele maanden leven, zijn we later uitgekomen of is er een koude periode gevolgd op een warm voorjaar, dan kunnen we slechts kort leven, enkele weken. En in die periode moeten we volwassen worden en een partner vinden en eitjes afzetten of als mannetje zorgen voor nageslacht. Meestal sterven we vrij snel nadat we nageslacht in de vorm van eitjes hebben afgezet in het water.
M: Dat klinkt mooi en heb je dan het gevoel dat je een mooi leven hebt gehad?
L: Ja, wij zijn eigenlijk wel vrolijke insecten en we hebben wel lol in ons leven.
M: Dank je wel voor dit gesprek, wil jij nog wat toevoegen?
L: Ja, leuk als jullie genieten van onze vrolijke kunststukjes die wij uithalen met vliegen en wees je meer bewust van dat jullie ook bij de natuur horen, dat je er deel van uitmaakt, in plaats van dat jullie je erboven voelen staan.

240827